Helene Kröller-Müller begon in de vroege twintigste eeuw gericht moderne kunst te kopen, met advies van H.P. Bremmer. Tussen 1908 en 1930 verwierf zij het merendeel van de 88 Van Gogh-schilderijen die Otterlo nu als kern toont. Zij zocht werk waarin zij een geestelijke lijn herkende. Van Gogh werd daarvan het zwaartepunt: niet omdat de markt hem toen al vanzelfsprekend vond, maar omdat zij bleef bieden en bleef kijken.
Het museumgebouw van Henry van de Velde opende in 1938. Dat huis maakt de collectie zichtbaar; het verklaart de aankopen niet. Interessanter is het patroon in wat zij koos. Meerdere boomgaarden, arbeiders, late Franse kleur. Minder van het allereerste Nederlandse werk. Een verzameling is een reeks ja’s, en dus ook een reeks weigeringen. Otterlo vertelt welke Van Gogh Helene wilde laten zien.

Kijk hoe vaak hetzelfde motief terugkomt. Herhaling is hier geen toeval in de schilderijen, het is een oog dat iets herkende en opnieuw kocht. Vraag bij het derde korenveld niet alleen wat Vincent schilderde, maar waarom dit type doek haar bleef trekken.


