De correspondentie telt 903 brieven: 820 van Vincent, 83 aan hem. Meer dan 240 schetsen zitten daarin; hij noemde ze krabbels. Op 12 mei 1888 schetst hij voor Theo het veld met irissen bij Arles en schrijft de kleuren bij: blauw, grijsgroen, geel, paars. Op omstreeks 21 november 1888 beschrijft hij een zaaier: een immense citroengele schijf als zon, geelgroene lucht met roze wolken, een violet veld, zaaier en boom in Pruisisch blauw, doek van maat 30. De zinnen zijn na te lezen. Ze vertellen wat hij die dag wilde dat Theo zag.

Het nut is de vergelijking. Staat er violet in de brief en zie je nu een blauwer veld, dan begint het kijken pas: is dit dezelfde voorstelling, een andere versie, of een kleur die later is verschoven? De brief is een momentopname. Het schilderij is wat overbleef. Samen zijn ze scherper dan elk apart. Een krabbel met kleurwoorden is de negentiende-eeuwse foto die hij niet kon sturen.

Vincent van Gogh, tekening van het caféterras in Arles. Dit is de tekening, niet het schilderij.
Bij het werk

Vincent van Gogh, tekening van het caféterras in Arles. Dit is de tekening, niet het schilderij.

Weetje bij dit verhaal

Bij de irissenschets van 12 mei 1888 schreef Vincent de kleuren erbij omdat de krabbel zelf geen kleur had.

Leg de vier woorden bij de irissen naast het schilderij. Streep wat je niet ziet. Wat overblijft, is de ruimte tussen de zin en het doek.