Porselein en Delfts beginnen allebei bij klei. Het verschil zit in de stook en in de massa. Echt porselein wordt zo heet gestookt dat de scherf verstijft tot een hard, weinig poreus lichaam; kaolien hoort bij dat recept. Die grondstof ontbrak in de Republiek. Delftse pottenbakkers bedekten daarom een poreuzere scherf aan twee zijden met opaak wit tinglazuur en schilderden daar kobaltblauw op. Tijdgenoten zeiden Hollants porceleyn. Materiaaltechnisch is het faience: een witte huid over aardewerk.

Het Rijksmuseum onderzoekt zo’n 1600 stukken en noemt ze tin-glazed earthenware. Schotels, piramides, botervloten: dezelfde familie. Op een foto van de voet of van een schilfer zie je vaak een warmere, doffere scherf onder het wit. Het oog las eerst het blauw-wit, niet de stookcurve. Tinglazuur kwam via Italië en Antwerpen; in Delft bleef het tot omstreeks 1850 de standaard. Alleen wat in Delft zelf is gemaakt, heet strikt Delfts.

Delftse vaas met decoratie naar Chinees porselein. Rijksmuseum.
Bij het werk

Delftse vaas met decoratie naar Chinees porselein. Rijksmuseum.

Zoek op een catalogusfoto de onglazuurde voet. Daar verraadt de klei zich. Het blauw blijft mode. Het lichaam blijft een andere oplossing.