Attische zwartfigurige keramiek werkt met omkering. Figuren zijn zwart door een geschilderde sliblaag die in de oven vastbakte; details zijn ingekerfd tot de rode scherf weer zichtbaar wordt. Een halsamfoor in The Met, toegeschreven aan de Painter of Munich 1410, omstreeks 530 v.Chr., toont op de ene zijde het vertrek van een jongeman: sandalen, zwaard, twee speren, een beker die uit een kan wordt gevuld. Op de andere zijde staan twee jongemannen tussen krijgers. Zonder draaien mis je de helft.
Het museum leest het hoofdtoneel als een afscheid vanwege de uitrusting en het inschenken. Rijke kleding en figuren van verschillende leeftijd geven het afscheid een plechtig karakter. Identiteit zit in attribuut en houding. De tweede zijde is geen achterkant. Het is de andere zin van hetzelfde object dat wijn of olie bewaarde. In gebruik draaide het vat. Het ornament volgde die beweging.

Zet het vat in gedachten op een draaischijf. Stop bij de hals. Wat je daar nog niet ziet, hoort erbij.



