Glasblazen, in de vroege keizertijd op grote schaal, vermeerderde vormen in één generatie. Daarvóór werd glas ook om een kern gevormd of in een mal geperst; er bestonden al verschillende manieren om een glazen vat te maken. Vrij blazen maakt een bel. In een mal blazen drukt decor in de wand. Een kleurloze kan in The Met, midden eerste eeuw, is geblazen en nagetrokken: omgevouwen rand, korte hals, peervormig lichaam, voet uit hetzelfde glas, een handvat met geknepen ribben. Aan de onderzijde kan een pontilspoor zitten, de plek van de ijzeren staaf waarop het vat na het blazen rustte. De blaaspijp zat aan de mond, niet aan die voet.
Een glad lijf zonder malnaad hoeft niet per se vrij geblazen te zijn; afwerking wist sporen weg. Wat je wél ziet, is lucht als bouwmateriaal. De wand is een huid om een holte. Iriserende verwering is latere chemie, geen antieke regenboog. Handel had baat bij min of meer gelijke inhoud. Deze kan is klein genoeg om de vouw van de rand als gebaar te lezen.

Een andere opname van Romeins glas in het museum van Bolu.
Volg de lijn van de voet naar de mond. Als die lijn zonder breuk omhoog komt, zie je de bel.



