Het Nederlands Openluchtmuseum verzamelt gebouwen die geen paleis zijn. Een huis uit een dorp, een fabrieksstraat, een molen, een school: ze zijn steen voor steen verplaatst omdat sloop of nieuwbouw hen anders zou wegvagen. Monumentenzorg begint vaak bij kerken en herenhuizen. Dit museum vraagt aandacht voor het dak waaronder iemand kookte, sliep en de was deed. Ook het gewone verdient een adres.
Lopen tussen de panden is lezen hoe Nederland regionaal verschilde in baksteen, hout en indeling. Een Groninger boerderij is geen Limburgse. Een stadswoning uit de twintigste eeuw hoort er net zo bij als een ouder rietdak. Ambachten worden voorgedaan, niet als folklore voor de foto, maar als uitleg van gereedschap. Het terrein is groot genoeg om te vergeten dat elk huis een verhuisdoos was. Vergeet dat niet helemaal. Elke gevel heeft een tweede geboorte.

Kijk naar de drempel van een arbeidershuis. Wat vertelt de vorm van die ingang over het dagelijks gebruik van het huis?



