The Met bezit honderden netsuke, vooral uit de achttiende en negentiende eeuw: kleine sculptuurtjes die voorkwamen dat een sagemono — tabaksdoos, inro, buidel — door de ceintuur gleed. Vaak zitten er twee geboorde gaten, himotoshi, voor het koord. Soms gebruikt de snijder een natuurlijke opening in het motief. Zonder doorgang voor het koord is het geen sluiting. Met die doorgang is het gereedschap dat toevallig ook een dier, een masker of een heilige kan voorstellen. Hout, ivoor, gewei: materialen die een stoot tegen de heup verdragen.
Omdat het stuk in de hand en tegen de stof schuurde, bleef het compact. Dat dwingt tot een bolle, aftastbare vorm. Thema’s zijn folklore en vaardigheid. De eerste eis blijft dat het sluit. Glans op de buik kán van dragen komen; latere behandeling kan het oppervlak eveneens hebben veranderd. Kijk naar de onderkant. Zitten de gaten versleten, dan is een koord aannemelijk. Blinkt alleen een zijde, dan is de lezing voorzichtiger.

Zoek de doorgang voor het koord. Als die lijn klopt, is het beeld weer een knoop.



