Catalogi van de National Gallery noteren toeschrijving, titel, datering, formaat en inventarisnummer. Wat bezoekers zelden zien, staat daarachter. Tentoonstellingsetiketten noemen zaal, jaar, bruikleengever. Een stempel van een douane of een verdwenen handelszaak is geen graffiti. Het is een spoor van verplaatsing. Hoe het doek is vastgezet — spijkers, nietjes, spieën — vertelt iets over latere behandelingen, niet automatisch over een jaartal tot op het decennium. Eiken of populier zegt iets over beschikbaar hout, niet keihard over de streek van de schilder.

Samen met een oude lijst vormen die sporen de biografie van het object. Peter Schade herinnert eraan dat bijna elk oud meesterwerk ooit een lijst had die bij de eerste presentatie hoorde. Die lijst zit vaak vast aan hetzelfde verhaal als de achterkant: zaagsporen, verstevigingen, ophangpunten. Soms is die geschiedenis pijnlijk. Etiketten kunnen een roofcollectie of een herkomstgat markeren. Dan is de achterkant geen anekdote. Dan is ze bewijs dat rustig moet worden gelezen.

Een van een paar sierlijsten uit de collectie van The Metropolitan Museum of Art.
Bij het werk

Een van een paar sierlijsten uit de collectie van The Metropolitan Museum of Art.

Weetje bij dit verhaal

Museumetiketten op de rug noemen vaak bruikleen, inventarisnummer en tentoonstellingsjaar.

Kijk naar een rugfoto in een catalogus. Lees eerst de etiketten. Daar begint de reis van het object, niet van de figuur op het doek.