De wetenschappelijke afdeling van de National Gallery onderzoekt sinds de jaren 1930 materialen van schilderijen: drager, grond, bindmiddel, pigmenten en kleurstoffen. Een pigment is een fijn, onoplosbaar deeltje dat in olie of tempera blijft zweven. Een kleurstof lost op. Door een kleurstof aan een anorganische drager te binden ontstaat een onoplosbaar lakpigment. Het Engelse woord daarvoor is lake. Rode lakpigmenten uit planten of schildluizen zijn fel, geliefd, lichtgevoelig. Ze blijven pigment in de verflaag, geen inkt die opnieuw oplost. Ultramarijn uit lazuriet is een mineraal poeder. Zelfde functie in het oog, andere chemie.
Onder de microscoop wordt dat zichtbaar. Een dwarssnede toont lagen. Chromatografie zoekt de organische kleurstof in het lakpigment. Elektronenmicroscopie ziet de korrel van het mineraal. Dekking alleen bewijst het onderscheid niet: een transparante glacislaag kan een mineraal pigment bevatten, een dekkend rood kan een lakpigment zijn. Zonder labpraat blijft de vraag: welke kleur het kwetsbaarst is voor licht.

Kies één rode zone. Bedenk dat zo’n klein beetje rood een heel eigen materiaalgeschiedenis heeft.



