Getty legt het simpel uit: elk materiaal reageert anders op licht. Conservatoren meten in lux. Werken met veel organisch materiaal — pastel, aquarel, perkament, textiel — krijgen doorgaans weinig licht, vaak in de orde van 50 lux. Steen en onbeschilderd metaal verdragen meer, grofweg tot honderden lux. Schilderijen zitten ertussen. Rode lakpigmenten uit planten of insecten vervagen sneller dan veel minerale poeders. Ultraviolet uit daglicht is extra schadelijk; daarom zijn zalen vaak zonder ramen of met filter.

Lichtschade is cumulatief: intensiteit maal tijd. Weinig licht vertraagt verandering, het stopt die niet. Een heldere middag plus een lange tentoonstelling kan meer doen dan een zwakke lamp in een kort seizoen. Daarom wisselen musea papierwerken af. LED-onderzoek van het Getty Conservation Institute zocht lampen die zichtbaar blijven zonder extra schade. Het compromis blijft: te weinig licht en je ziet geen kleur; te veel en de kleur gaat weg.

Johannes Vermeer, Meisje met de parel, circa 1665. Mauritshuis, Den Haag.
Bij het werk

Johannes Vermeer, Meisje met de parel, circa 1665. Mauritshuis, Den Haag.

Weetje bij dit verhaal

Getty houdt de gevoeligste werken vaak rond 50 lux; steen kan aanzienlijk meer hebben.

De gedempte zaal is een afspraak met later. Jij krijgt contrast genoeg om de tekening te volgen. Het object krijgt geen volle zon op een vezel die dat niet verdraagt.